Het onderwijs kenmerkt zich door de volgende onderwijskundige en organisatorische uitgangspunten.
Hetrogene groepen betekent dat kinderen van verschillende leeftijden en verschillende ontwikkelingsniveaus in dezelfde groep zitten. Op de NIS zijn meestal 2 leerjaren bij elkaar geplaatst in een groep. Heterogene groepsvorming stimuleert onderwijs op maat. Het kind staat centraal, niet alle kinderen zijn op hetzelfde moment met dezelfde stof bezig.
Met adaptief onderwijs wordt het onderwijs afgestemd op verschillen in voorkennis tussen leerlingen in de groep. Het uitgangspunt is wat de leerlingen al zelf weten. Van daaruit wordt het verband gelegd naar nieuwe kennis.
Zelfstandige werkvormen betekent dat op bepaalde tijden van de dag de kinderen zelf mogen beslissen welke taak ze willen uitvoeren of bijvoorbeeld in welke hoek van de klas het kind wil spelen (voor de kleintjes) Dit bevordert de zelfstandigheid, zelfredzaamheid en de zelfverantwoordelijkheid van kinderen.
Het IPC gaat uit van projectonderwijs in de vorm van een ‘unit’, waarbij elke ‘unit’ concrete doelen en activiteiten heeft in een vaste structuur.